fragmenten Wees gegroet
Jannes Notenboom neemt een hap van zijn broodje Lourdes-kebab, het loopt tegen twee uur, het is er de tijd voor.
Ze hebben hier Lourdes-onderzetters, mokken, keycords, wijwaterbakken, fonteintjes (voor op tafel), koekoeksklokken en dat in souvenirshop na souvenirshop, hele straten vol en die heten dan Jeruzalem of Alliance Catholique of Sacre coeur de Jesus en een juwelier heet hier Pelgrim.
Lourdes is het Salou voor katholieken.
In snackbar Bernadette bestelde Jannes ‘un kebab-Lourdes, s’il vous plait’, de eigenaar vroeg hem nog verbaasd die bestelling te herhalen, maar een grap moet je nooit twee keer maken, dus Jannes wees naar het lam aan het spit, allervriendelijkst verder.
Hij eet.
Op de stoep voor hem loopt een bejaarde voorbij, die zich verkoelt met een Bernadette-waaier. Drie volle rolstoelen worden naar La Grotte geduwd, waar zieken weer beter zijn geworden en doden levend en wat al niet, en waar je komt door alleen de blauwe streep op straat te volgen, als in Ikea. Aan de overkant is een rolstoel op de terugweg – een lege. Een vermoedelijk genezen bejaarde duwt hem voort.
Precies de beelden die Jannes nodig heeft.
Gisteren is hij in zijn auto gestapt, hij wilde rijden tot de zon scheen, desnoods tot in Spanje, want daar zijn de sigaretten goedkoop en mag je tenminste nog roken in de kroeg. Maar het belangrijkste: weg.
Hij was er bijna, in Spanje, toen hij zag dat Lourdes maar een omweg van anderhalf uur was en dat is dan weer het goede als je door je vriendin bent verlaten, zeg maar gedumpt en uit het niets, omdat ze geen toekomst in je ziet, in een barman zonder kinderwens, dan ben je op weg naar Spanje, je ziet het bordje Lourdes en dan rij je gewoon even naar Lourdes, dat doe je dan gewoon, je hoeft niet te overleggen, zelfs niet met de vrouw van wie je dacht dat ze de liefde van je leven was, en dat dit wederzijds was, tot gisteren dan.
De weg ernaartoe viel behoorlijk tegen trouwens. Het vlakke land vóór de Pyreneeën, honderd kilometer treurnis, geen heuvels, geen rotsen, geen dalen, niets wat Frankrijk al die 1300 kilometer de moeite waard maakt, maar in de verte, en die verte kwam steeds dichterbij, waren ze er: bergen zo hoog dat ze wolken tegenhouden en onweer, een schaduw aanvankelijk en daarna steeds meer in detail, het groen, de slierten eeuwige sneeuw, de macht.
Zo gaat dat ook met God. Hij daar, de mensen hier – en maar lokken.
Lourdes, na de péage nog een halfuur.
Vlak voor Lourdes was Jannes nog even het buurdorp ingereden, Poueyferré, nooit van gehoord, het bestond ook uit een paar straten, een dorp van niks zoals Lourdes dat ook was voordat Maria daar op bezoek kwam. Toen ging het snel, met Lourdes dan. Er kwam daar een treinstation en daarna een reeks kerken, hotels, een voetbalclub, een McDonald’s. Niet in Poueyferré. Dat bleef het gat dat het was.
Poueyferré = Lourdes - Maria.
Terwijl ze daar ook vast een grot hebben en een simpel meisje van veertien, maar God maakt keuzes en de mens moet slikken, ook die in Poueyferré.
*********
Zijn broer. Volgeling van de kerk van de Nieuwe Christenen, voorheen Kampf gegen Satan, de enige rechtmatige hoeder van Gods woord op aarde.
God heeft het vertrouwen in de rooms-katholieke kerk opgegeven namelijk. Tweeduizend jaar lang waren de katholieken het uitverkoren volk, maar een blinde katholiek ziet nog dat het Vaticaan op de bodem ligt. De Duivel zit er op de troon.
Aanvankelijk waren de Joden het uitverkoren volk. God schonk hen de Messias, de man waar ze al zo lang op hadden gewacht, maar ze weigerden Hem te erkennen en brachten Hem aan het kruis.
Daarop sprak God tot Petrus dat hij Zijn rots was en bouwde op hem Zijn kerk. En tweeduizend jaar later sprak hij vergelijkbare woorden tegen een Zwitser, Nikolaus Schneider. God zei: ‘Nikolaus, neem Mijn kerk mee.’
Dat deed Schneider. Hij stichtte Kampf gegen Satan en werd de Zwaard-Bisschop. Met het zwaard is het woord van God bedoeld.
Jannes vond het jammer dat Kampf gegen Satan was omgedoopt tot Nieuwe Christenen. Kampf gegen Satan, dat klonk toch lekkerder.
Want het deed het altijd goed in de kroeg, zo’n reli-broer, die daadwerkelijk geloofde dat de aarde in zeven dagen is geschapen, dat een man over water liep, en graag praatte over de buitenste duisternis met eeuwig geween en tandengeknars en wat niet. Jannes moest alleen een manier vinden hoe om te gaan met Henri’s zendingsdrang.
‘Ik laat jou in je waarde,’ had hij wel eens tegen Henri gezegd, ‘waarom laat je mij niet ook in mijn waarde?’
Henri antwoordde: ‘Als jij over straat loopt en je ziet een blinde die recht op een lantaarnpaal afloopt, dan grijp jij toch ook in?’
Nou ja, zulke gesprekken. Je moest er de humor van inzien.
Religie. De bezwering van doodsangst is het, meer niet. Honden, eendagsvliegen, vissen, bomen, gras, allemaal worden ze geboren, ze planten zich voort en daarna gaan ze dood. Behalve de mens. Nee, die niet.
De mens, die toevallig slimmer is dan een hond of gras, heeft de luxe en de vrije tijd om na te denken en het zal hem toch niet gebeuren dat zijn geweldige leven niets meer is dan een biologische schakel. Dus de een komt met reïncarnatie, de ander met een hoop maagden en weer een ander met het eeuwige leven.
Allemaal angst.
Jannes had het Henri een keer gevraagd, onverwacht, halverwege alweer een betoog.
‘Henri, was jij vroeger wel eens bang?’
‘Ja!’ zei Henri enthousiast, want hij is oprecht in alles. En hij vertelde over vroeger, toen hij als klein jongetje wel eens in zijn bed lag, terwijl hun ouders beneden met vrienden de koelkast leegdronken en Henri zich bang voelde en alleen en zwarte vlekken over de muren zag bewegen. Hij ging dan op de trap zitten wachten tot zijn moeder naar het toilet moest.
Toen stopte hij zijn verhaal.
‘Ja, ik weet al waar jij naartoe wilt, Jannes. Maar spaar me je gespiegelogiseer.’
En zo ging dat, hun gesprekken, jarenlang, en Jannes hield er in de regel een prettige anekdote aan over.
De lol was er wel vanaf toen Henri vertelde dat de Joden Auschwitz aan zichzelf te danken hebben.
fragment Mijn vrouw heet Petra
Mijn vrouw, best een goed mens, ergert zich dood aan mij. Tenminste, als ze tegen me praat, maar dat doet ze weinig, dus ze is verder wel gelukkig.
Het zijn kleine dingen, want het zijn altijd kleine dingen. Hoe ik me uitkleed, ik noem maar wat. En ik laat inderdaad altijd mijn broek zakken, en stap dan uit mijn schoenen. Die broek ligt daar dan, naast het bed, ineengezakt, alleen de punten van de schoenen nog zichtbaar, tot de volgende ochtend. Alsof de Onzichtbare Man - boeh! - voor potloodventer speelt. Een beetje laf exhibitionisme, ik weet het, maar ik heb daar lol in.
Mijn vrouw niet.
'Je lijkt wel een vrijgezel,' zegt ze.
'Alleen in mijn dromen,' antwoord ik dan, ook alleen in mijn dromen.
Petra heet ze. Petra. Wat moet je er meer van zeggen? Mijn hele leven ben ik al met Petra. Peter en Petra, inderdaad. Mijn vrouw, dol op symmetrie, ziet daar een soort Yin en Yang in. Alleen vraagt ze zich nooit af wie nou wie aanvult en waarmee precies en of überhaupt.
Nee, Peter en Petra, die horen bij elkaar.
Luister maar: Peter en Petra.
Het gaat geloof ik niet zo goed met me. Nu ben ik al jaren kaal en dik, dus daar kan het niet aan liggen. Maar toch: ik voel me de laatste tijd zo kaal en dik.
Het gaat om het karakter, zeggen vrouwen dan, vooral mooie vrouwen, die, heel gek, uiteindelijk toch altijd thuiskomen met een of ander lekker ding. En ondertussen verklaren ze, op plechtige toon, want ze geloven het zelf nog ook: als hij maar lief is (ben ik), zijn gevoelige kant durft te laten zien (best) en grappig is (dat al helemaal, nondedju).
Al is er, zeggen de eerlijke vrouwen en vind die maar eens, natuurlijk wel een ondergrens. Het moet ook weer geen, en nu komt het, kale, dikke brildrager zijn.
Kaal, dik, bril. De lelijke man kan niet zonder.
Die heb ik ook trouwens, een bril, vanaf mijn zesde al, dus het is niet dat de mensen vroeger zeiden: dat wordt nog wel wat met die jongen.
Daar staat tegenover dat ik een verdomd gezellige vent ben, een gouwe pik, een vaderfiguur als het moet, eentje die je er op een feestje zeker bij wil hebben.
Iedereen wil met me naar de kroeg.
Niemand wil met me naar bed.
(Ik vat mijn leven even samen.)
Wat heb jij nou te klagen man, zeggen vrienden dan, best goede vrienden, maar nog geen veertig. Maar inderdaad: vrouw en twee kinderen, twee schatjes, dank u, elke maand een keurig salaris, fijne collega's, ouders die van me houden, een Ford Mondeo en een huis met een tuin voor en achter.
'De Ford Mondeo is de auto voor de man die het heeft opgegeven,' zei een kennis, zo'n hippe fotograaf, een paar maanden geleden.
Daar moest ik toch even over nadenken.
Hoe kom ik in godsnaam in een Ford Mondeo terecht? Bij mij in de straat rijdt bijna iedereen Mondeo, maar dat stelt me niet onmiddellijk gerust. Het zijn allemaal huisjes met een tuin voor en achter, niks om je voor te schamen, als je de lat niet al te hoog legt tenminste.
Elke dag rij ik die straat in, na een uur en een kwartier file, en denk: lekker straatje is dit toch. Erkertjes, rode dakpannen, een kronkelweg met klinkers en bomen die vlot doorgaand verkeer in de weg staan. Ik groet mensen, mensen groeten mij, en van sommigen weet ik zelfs hoe ze heten. Daarom ben ik juist uit Amsterdam verhuisd en Bussum kost een paar centen, dus vertel mij niet dat ik het niet voor elkaar heb.
Op een winterse zondag ruikt het hier in de straat naar open haard, alstublieft, dus wat zou ik me gek laten maken door een of andere vent met zijn Saab en zijn etage, zónder balkon - in de Jordaan, dat wel, en een vriendin van vierentwintig.
Ondertussen, de realiteit.
Petra - die van Peter en Petra - had het liefst onze kinderen Maartje en Maarten genoemd, het saamhorige gezinnetje compleet, maar ik heb van Maarten nog Mats weten te maken. Ik geloof daadwerkelijk dat het haar liefde voor de jongen heeft bekoeld, maar het kan ook komen doordat Maartje, sinds ze papier kan vouwen - zeventien maanden, mama apetrots - de grote passie van haar moeder deelt.
Origami.
Je kunt trouwens beter geen papiervouwen zeggen, en freubelen ook niet. Het heet: papierarchitectuur, en ze doet niets anders. Dat, en theezakjes sparen. En die dan vouwen. Petra noemt dat 'het tweede leven van een theezakje' en ik heb in die uitspraak - hij komt regelmatig voorbij - nog nooit enige ironie kunnen ontdekken.
Avond aan avond, gebogen over haar vouwblad, chattend op een van de vele hobbysites op internet, je wilt het allemaal niet weten. Theezakjeskunst.nl, hobbysalon.be en anders is er nog altijd thee.startkabel.nl.
De Champions League van het theezakjesvouwen zijn de kusudama's. Die zijn in een bolvorm gevouwen, of iets met twee theezakjes in elkaar en dan een kwartslag draaien, vraag het me ook niet precies, ik weet wel dat bosvruchtenthee een goede naam heeft en dat heeft met de kleurschakering te maken.
De term bergvouwen is bij ons thuis niet ongewoon. Dan krijg je een boeket van sinaasappels, kersen of perzik (er mag dan wel geen 'Perzik-smaak' op staan, want dat 'vouwt voor geen meter'), versierd met een staafje kaneel, het is maar een voorbeeld, want het arsenaal vruchtenthee uit Gods akkers is eindeloos.
Twinings, Westminster, Westcliff, Sonnigdal (Zuid-Afrika), Teekanne, Taylors of Harrogate, Throat Comfort Tea, Dogadan (cadeautje van een vriendin uit een all in-resort in Turkije), Yogi Tea, maar er is er geen een die het haalt bij de Piggelmee, haar favoriet en uiterst moeilijk te krijgen.
Haar verzameling heeft ze geordend in anderhalve meter fotoboeken en ordners, met de precisie van de postzegelverzamelaar, het meer geaccepteerde broertje van de theezakjescollecteur, en ze zit op 2841 stuks, op het theezakje af.
Ze is best aantrekkelijk verder, Petra, al zeg ik altijd maar: wat is onaantrekkelijk? En ik word heus nog wel geil, best graag zelfs, maar zelden nog van Petra. Bovendien, het is zo'n gedoe, seks.
In de praktijk vrijen we nauwelijks nog. En zoals dat gaat: na een week of twee, drie, acht, denk ik: wordt het niet weer eens tijd. En dan is het even tijd, en daarna denk ik: het was wel een gedoe.
Seks is als Sinterklaas voor een kind: de voorpret is het leukste.
Dus daar hou ik me dan maar mee bezig, met voorpret, maar dat doe ik dan wel intensief, en buiten de deur. Het blijft droogzwemmen, maar veel meer zit er ook niet in. Wat kletsen, wat insinueren, grapje hier en daar, en kijken kost niks.
Er zijn trouwens nog altijd vrouwen - ja, vraag het mij ook niet - die niet weten dat iedere man een vrouw bij de eerste kennismaking zo goed als onmiddellijk scant op borsten, dan wel billen en benen, afhankelijk van hun geaardheid.
Zelf ben ik een overtuigd borstenman. Of beter: een decolletéman. Niks mooiers dan een vrouw met twee knoopjes open.
Ik heb het Robine Hutting, van Engels, eens moeten uitleggen tijdens een receptie op school. Groot zijn haar borsten niet, een klein cupje B, in de zomer A, maar haar decolleté weet ze te brengen. Dan heb je mij in een doosje.
Hutting werd veel duidelijk, iets te veel, zou de macho zeggen, die zijn geheimen liever koestert. Maar ik ben geen macho. Ik ben een ouwehoer, wat een macho is, verkleed als beste vriend. (Alsof ik de keuze heb.)
Het is spannend - of laat ik maar gewoon zeggen: best geil - om met Robine over borsten te kletsen, borsten in het algemeen dan, maar ondertussen gaat het over Robine d'r borsten natuurlijk. Weet zij, weet ik. Flirten met een knipoog.
Later vertelde ze dat zij en Zuidersma, van Gym, zich een hele avond met mijn theorie hadden geamuseerd. De collega's namelijk die niet op Robine Hutting vallen, vallen per definitie op Hanna Zuidersma (gymnastiek en billenmannen gaan goed samen).
Ze hadden, wijntje erbij, onderling de lerarenkamer verdeeld. 'Ruys van Duits is van mij, absoluut,' had Zuidersma geclaimd. Over Engbersen van Maatschappijleer hadden ze nog lang gesteggeld, maar wie Pruiser kon inlijven, was volstrekt duidelijk.
En dat vertelt Robine daarna dan weer uitgebreid aan mij, over hoe ze bekvechtten over Engbersen - volgens mij ís het ook een homo - en hoe ze over mij snel klaar waren. En ja, dat vind ik dan best geil, ja.
Want daarmee zegt Robine welbeschouwd: prima, jongen, dat je af en toe in mijn blouse kijkt. Veel meer heb ik ook niet. Wat flirten, wat hinten, dat is het verder wel.
Een flirtende vrouw wil nu eenmaal niet met je naar bed. Ze wil wel dat jij met haar naar bed wilt. Daarom, en alleen daarom, laat ze zich die praatjes aanleunen. (Huttings mooiste uitspraak: 'Ik weet het, ik ben borrelmateriaal.')
We hebben een onuitgesproken verbond, Hutting en ik. We flirten in het nette. Zij voelt zich vrouw, ik voel me man. En dan ga ik maar weer eens naar Bussum.